Onruststoker

"Kunt u niet ergens anders gaan zitten?"
"Waarom?"
"Daar wil ik nu niet op ingaan, meneer. U kunt toch aan het andere eind van deze bank gaan zitten? Of daar aan de overkant, daar staan ook nog twee banken."
"Daar heb ik niet veel aan."
"Wat komt u hier dan eigenlijk doen?"
"Wel, ik kom mijn hart verwarmen."
"Is uw hart dan zo koud, dat u zo dicht bij mij moet komen zitten, om van mijn warmte te genieten?"
"Nee, dat niet. Maar ziet u, misschien kunt u mij helpen een vuurtje te stoken."
"Ja, dat is vaak heel hartverwarmend. Maar daar heeft u mij toch niet voor nodig?"
"Toch wel, zonder u ben ik eigenlijk werkeloos. Dus dacht ik, u zit daar toch maar een beetje voor u uit te kijken, ik zal u maar eens aansteken. Of heeft u iets tegen werkelozen?"
"Waar ziet u me voor aan? Gaat u alstublieft weg. Ik heb helemaal geen zin in uw geklets. Bovendien, ik zit niet zo maar voor mij uit te kijken."
"O nee, wat doet u dan."
"Ik moet nadenken."
"Waarover?"
"Dat gaat u niks aan!"
"Dan denkt u maar. En dat u vindt dat het mij niks aangaat, laat me volkomen koud."
"Geen wonder dat u warmte nodig heeft."
"U begrijpt er niet veel van. Waarom voelt u zich zo beschaamd dat ik lekker naast u ben gaan zitten? Mag u mij niet?"
"Dat heeft er niets mee te maken."
"Wat dan wel?"
"Bemoeit u zich toch met uw eigen zaken!"
"Dat doe ik toch! Het is toch mijn zaak mij goed van mijn taak te kwijten?"
"Houd toch op en ga weg!"
"U gunt een harde werker ook weinig ruimte, zeg!"
"Meneer, alsjeblieft, het park is groot genoeg, ga iemand anders vervelen!"
"U wilt nu toch niet beweren dat ik u zit te vervelen, wel? U houdt hier een hele discussie; dat is toch amper verveling te noemen. Dat nadenken van u, dat is pas verveling."
"U weet helemaal niet waarover ik aan het nadenken was!"
"Dat weet u helemaal niet. En u kunt het ook niet weten, want kennelijk moet u over die zaken eerst nadenken."
"Meneer, hou toch op. Ik heb aan een half woord genoeg. Hou maar op met uw geklets."
"Hoe weet u nu dat ik maar wat zit te kletsen? Bent u een helderhorende of zo? A.. i.. u.. z.. d.. u.. g.. be.., d.. sn.. u.. e.. to.. ni.. v..?"
"U hoort thuis in een inrichting."
"Zo ziet u maar, van halve woorden heeft u absoluut geen verstand. Dus dat nadenken kunt u beter maar laten. En als u het over inrichtingen wilt hebben, dat kan ook. Wat vindt u van deze inrichting?"
"Waar heeft u het nu weer over?"
"Wel u vindt dat ik in een inrichting thuis hoor, dus dacht ik, laat ik deze meneer dan eerst maar vragen wat hij van zijn eigen inrichting vindt."
"Ik zit niet in zoiets. Ik zit hier op een bank in het park met een idioot naast me."
"Wel, dat omschrijft de zaak enigszins, maar u moet toegeven, het is wel erg beknopt. Ik zou nooit in zo'n simpele omgeving willen werken."
"U geeft in ieder geval toe dat u een idioot bent, dat is al een hele verbetering."
"Ik ben blij dat u van verbeteringen houdt. Maar ik heb niet gezegd dat ik een idioot ben. U ziet een idioot naast u, dat is heel wat anders."
"Wat wilt u nu eigenlijk?"
"Meneer, ik doe alleen maar mijn werk. U bent kennelijk nadenker van beroep. Ik ben slechts onruststoker."

Dublin, Ierland, oktober 1997.


[Top of page]