De Waterput

"Wat zoekt u?"
"Ja, eh...., water."
"Waarom?"
"Ik heb dorst gekregen van de reis. En aangezien er hier een waterput is, dacht ik, laat ik wat water nemen voor de dorst."
"Ik bedoel, waarom zoekt u wat u gevonden heeft?"
"Eigenlijk zoek ik alleen een emmer om water uit de put te halen."
"En u denkt dat dit water uw onuitputtelijke dorst kan lessen?"
"Ik neem aan dat er genoeg water in de put zit. En mijn dorst is bovendien niet onuitputtelijk."
"Dat meent u niet!"
"Zit er dan niet genoeg water in de put?"
"Heeft u de bodem van de put gezien?"
"Nee.... Ik meende alleen mijzelf in het water te zien, daar in de diepte, toen ik erin keek."
"Wel, was dat maar waar. Dan stond u hier niet zo beteuterd te kijken."
"Ik snap u niet."
"Wat denkt u? Zou dit een bodemloze put zijn? En is die dan onuitputtelijk of niet?"
"Weet u het?"
"Maakt het uit of ik het weet? Het gaat erom of het weet! U bent degene die denkt dorstig te zijn."
"Ik zei u al, ik heb niet zo veel dorst dat ik die put zou leegdrinken."
"Dat kunt u niet eens, want zonder emmer bent u kennelijk nergens. En bovendien weet u niets af van deze put."
"Weet u het dan wel?"
"Ja."
"Wat weet u dan?"
"Veel."
"Hoe veel?"
"Genoeg."
"U bent opeens niet erg spraakzaam! Zojuist nog een overvloed aan woorden en nu dit."
"U vindt toch dat er genoeg water in de put zit? Haal het er dan uit."
"Heeft u een emmer?"
"Nee, natuurlijk niet. Waar ziet u me voor aan?"
"Tja, misschien moet u de put bewaken?"
"Waarom zou je iets moeten bewaken, waarvan je de diepte niet eens kent?"
"Ik dacht dat u alles van de put wist!"
"Inderdaad, dat dacht u."
"Drinkt u nooit water uit de put? Daar heb je toch een emmer voor nodig?"
"Iedereen drinkt uit de put. Met of zonder emmer."
"U ook?"
"Wat maakt dat nu uit? Ik heb geen dorst."
"Maar als u dorst heeft, gebruikt u dan een emmer?"
"Ik heb geen dorst."
"Begrijp ik nu dat u wilt zeggen dat het er eigenlijk weinig toe doet?"
"Hoe moet ik nu weten wat u wel of niet begrijpt?"
"Ik geloof dat ik maar een andere waterput ga opzoeken!"
"Als u gelooft dat er een andere is, dan is hij er. Ik kan u niet zeggen of u die ook zal vinden."
"En misschien is er daar iemand die meer behulpzaam is."
"Aha! U vindt dat u hulp nodig heeft?"
"Ik kan toch geen water uit de put halen zonder emmer?"
"Weer die emmer! U moet nog veel leren. Uiteraard heeft u geluk: ik ben heel geduldig. Waarom kunt u dat niet zonder emmer?"
"Dat zie je toch!"
"Hoe of waaraan zie ik dat toch?"
"Ik kan toch geen water uit de put halen zonder emmer!"
"Nogmaals, waarom niet?"
"Kunt u het dan wel? Waarom laat u dat dan niet eens zien?"
"Mijn vraag was, waarom niet."
"Daar weet ik niet zo snel een antwoord op. Ondertussen heb ik wel dorst!"
"Drink dan wat."
"U hebt makkelijk praten!"
"Ja, daar ben ik het natuurlijk wel mee eens."
"Dat geloof ik ook."
"U gelooft alles wat ik zeg. Dat vind ik wel begrijpelijk. Waarom gelooft u niet in uzelf?"
"Wat bedoelt u daar nu weer mee?"
"Gelooft u dat u een emmer nodig heeft om water uit de put te halen zodat u uw dorst kunt lessen? Kunt u geen water vinden zonder emmer? Kennelijk zit u niet dermate in de put dat u een oplossing zou kunnen bedenken. Bovendien als u er wel in zat, dan zat u tot over uw oren in het water, nietwaar?"
"Nee ik zit niet in de put. Ik heb dorst."
"Ja dat is duidelijk. Wat zag u eigenlijk toen u in de put keek?"
"Dat zei ik al. Water natuurlijk."
"Verder niets?"
"Wel, mijzelf; weerspiegeld in het water."
"En die zelf, zag die u ook?"
"Bedoelt u......"
"Ja."
"U lijkt wel gek!"
"Waarom "lijkt"?"
"Misschien bent u wel gek!"
"Wie zal het zeggen? Maar dat lost uw dorst niet op, zou ik zo denken."
"U beweert dus, dat ik met mijzelf kan praten?"
"O, wist u dat niet? Misschien doen alleen gekken dat?"
"Dus als ik aan mijzelf om een emmer vraag, dan krijg ik een emmer?"
"Dat lijkt me niet waarschijnlijk. Ik vraag me af wie hier nu gek is!"
"Wat moet ik dan tegen die zelf daar beneden zeggen? Kom naar boven met een beetje water, want ik hier heb dorst?"
"Misschien kunt u beter eerst vragen of hij u wel kent? Misschien ziet hij wel helemaal niets, als hij uit de diepte naar boven kijkt."
"Beweert u nu dat hij mij niet kent en ik hem wel? Wat is dat nou voor onzin?"
"Misschien kunt u van plaats verwisselen? Dan laat u zich zover in de put zakken, totdat u één wordt. En dan vraagt u of hij naar boven klimt. Kijk, want alleen dan kunt u het voordeel daarvan zien: uw dorst is daarmede meteen gelest. Wellicht voorgoed."
"Maar wat gebeurt er dan als hij wegloopt? Dan zit ik mooi in de put."
"Wel, als u dat mooi vindt, lijkt me dat een goede oplossing."
"Nee, ik bedoel, hoe kom ik er dan uit?"
"U kunt de bron eens proberen."
"Wat voor bron?"
"De bron waar al het water vandaan komt natuurlijk."
"Is die er dan?"
"Ja, da's logisch."
"Dus als ik daar beneden ben, moet ik nog dieper gaan om de bron te vinden?"
"U moet er kennelijk diep over nadenken."
"Ik geloof dat ik het maar doe."
"Wat gelooft u nu weer?"
"Dat ik naar beneden ga om mijn dorst te lessen. Maar u weet dat zeker, van die bron?"
"Heel zeker."
"Gaat u mee?"
"Waarom zou ik dat doen? Ik sta hier toch prima?"
"Dan kunnen we samen de bron zoeken!"
"Dat lijkt me onzinnig."
"Het is toch belangrijk die te vinden?"
"Ja natuurlijk."
"Waarom zoekt u dan niet mee?"
"Dan vraag ik u nogmaals: wat zoekt u?"
"Water om mijn dorst te lessen. Of misschien nog beter: de bron van al dat water."
"Ik bedoel, waarom zoekt u wat u gevonden heeft?"
"Bedoelt u, zou u mijn dorst kunnen lessen?"
"Vanzelfsprekend."

Curaçao, Dag van de Arbeid 1997.


[Top of page]