Vier

We lopen in een straat. Aan beide zijden staan lage huizen. De trottoirs zijn erg hoog. De huizen zijn wit met bruine daken. Het is laat in de middag, want de zon staat al laag. Het is warm en benauwd.

We gaan een gebouw binnen. We moeten er geld wisselen. Er is een grote toonbank met een hekwerk erop. Er zijn kleine loketten. Er is niemand. We wachten totdat er iemand verschijnt.

Achter het loket staat een vrouw met rood haar. Ze geeft ons twee munten. Aan beide zijden staat op de munten een zon.

Ik loop op het strand. Het strand is erg breed. Rechts zijn wat duinen. Bovenop een van de duinen staan twee naakte vrouwen. Ik ga naar hen toe. Ik moet hen iets brengen geloof ik. Beiden hebben een ketting om. Daaraan hangt een gele platte schijf. Er staat een zon op.


[Top of page]