Een

De trein reed de stad binnen. Op dat moment kwam de conducteur mijn kaartje knippen. Ik had er één gekocht tot de provinciestad, maar ik wilde hier de reis onderbreken. "U kunt hier wel uitstappen, maar vandaag kunt u dan niet meer verder". Wat maakte het uit: een kaartje kostte toch maar twee veertig. Om de douane te ontlopen, zette ik mijn koffer buiten op straat. Door een onzichtbare magnetische kracht trok de trein de koffer mee over de straatstenen. In een diepe kuil bleef hij steken. En ik zong: die zien we nooit meer terug!

Het station van het plaatsje was een oud geval. Een gammele overkapping hing over het enige perron dat het station rijk was. Het was avond en er was niemand te zien.

In een straatje, met aan weerszijden lage huizen, ontmoette ik meneer H. Hij had een bovenverdieping gehuurd in een van de huizen. Een mooie tussenpost tussen het Westen en de provinciestad, zei hij, maar het maakt niets uit.

We bleven nog wat praten. Ik zou niet verder gaan dan de provinciestad. Als hij me wilde spreken, moest hij daar ook maar heen gaan. Hij vroeg me te blijven, maar ik had nog andere dingen te doen. Ik ging daarom weg. Het huis van mijn tante was niet zo ver weg.

De volgende dag kocht ik weer een verkeerd kaartje: nu had ik een retour. Het was tweemaal zo duur als gisteren.

Het was een smalle steile trap, met een bocht naar rechts erin. Ik was bang dat ik opgepakt zou worden. Bijna bovenaan bleef ik in een hoekje in het duister staan. Mensen liepen voorbij zonder me op te merken. Ik liep verder door naar boven. Er werden persberichten uitgedeeld over de oorlogstoestand: een kaartje van Normandië met getallen erop. Daarom mocht je hier gewoon binnenlopen! Achteraan stond een man met een lichte bochel en grijs haar, dat glom van het vet, naar me te kijken.

In de stad merkte je niet veel van de oorlog. Alleen het grote warenhuis op de hoek was gesloten. Voor alle etalages hingen gordijnen die ook gebruikt worden wanneer de etalges worden veranderd. De winkel op deze hoek waar ik met mijn rug naar toe stond, was wel geopend.

Ik liep verder. Rechts de hoek om. Even verder kwam ik op een pleintje uit. Daar stonden in het donker van de avond een rij motoren met zijspan. De bestuurders zaten in het zadel, klaar om weg te racen.

Ik ging het bruggetje over. Iemand liep achter me aan en daarom schoot ik het bankgebouw binnen. Rechtsom de trap op. Daarna met een aantal roltrappen verder. De omgeving veranderde in een warenhuis, dat gebouwd was op het stadhuis: het was een winkel voor ambtenaren.

Boven aangekomen zocht ik de contactpersoon. Hij zat rechts achteraan, met zijn rug maar mij toe, op een kruk aan een lange tafel die aan de muur vastzat. Zo te zien werkte hij op afdeling radio en TV. Ik ging naast hem zitten. "Verkoop Engeland". Hij antwoordde niet, maar bleef prutsen aan een cassetterecorder, waar de band telkens uitliep. Aan de andere kant van hem ging een man zitten. Hij hielp even mee. Even later waren we alleen. Ik gaf hem een cijfer uit Normandië: Calais 24. Hij stond op en liep een eindje weg. Daarna kwam hij weer terug. Hij zei iets.

Aan het einde van de roltrap stond de man met de bochel tegen een hekje geleund. Hij stond weer naar mij te kijken. Met de roltrap ging ik naar beneden. Onderweg belde ik voor de lift, omdat ik dacht dat dat sneller zou gaan. Beide liften waren boordevol. Maar in de rechter stond mijn vriendin met een pop in haar hand. Ik kon er nog net bij.

Vanaf het strand zag ik een klein eilandje liggen in zee. In het midden zat er kuiltje in. Het was ongeveer vijf meter in doorsnede.

Ik keek naar het strand vanaf het eilandje. Het strand was roodachtig van kleur. Daarachter lagen wat lage rotsen. Er zwom iemand naar het strand toe. Later waren het twee mensen. Ze liepen het strand op. Een man en een vrouw, ongeveer twintig jaar. Ze hadden gezwommen. Ik verschool me een beetje in het kuiltje. Bij hun kleren gekomen, kleedden ze zich aan. Zij had een lang, donkergeel, gehaakt vest aan. Ze liepen over de heuvel.

Op het strand kwam ik bij een boot. Die lag in een soort haventje. Aan de ene kant zaten een stel soldaten naast elkaar. Ze hadden groene pakken aan en hun helmen blonken. Aan de andere kant stond een jonge man met een machinepistool in de aanslag. Ik ging naast hem zitten. Ik vroeg: "Pro of contra?". "Contra". "We doen het zodra we uitgevaren zijn".

Buiten de haven lag een iets grotere boot. Er lag oorlogsmateriaal in. Dat deed me opeens ergens aan denken.

Ik stond voor de spiegel. Op mijn rug stonden met dikke zwarte viltstift kronkelige lijnen getekend. Mooi symmetrisch. Ik draaide me om. Ook daar allemaal lijnen, maar niet zo dik. Het ging er niet meer vanaf. Alleen was ik bang dat iemand me zou zien en ik trok daarom een hemd aan.

Later vond ik mijn koffer terug. Een beetje gedeukt. De metalen banden aan de randen van de deksels waren verdwenen. Ik liet hem liggen in dat donkere straatje, met aan weerskanten lage huizen.


[Top of page]