Inleiding

De geschiedenis van de familie Karel (Kaal, Caal, Kaarl) speelt zich, voor zover ons tot nu toe bekend is, in de periode 1750-1850 binnen de dorpen Renkum en Heelsum af. De geschiedenis van de familie is daarbij nauw verbonden aan de papiernijverheid, die in deze plaatsen sedert ca. 1650 een grote rol speelt[2].

Na de val van Antwerpen in 1585 waren de noordelijke gewesten in hoofdzaak aangewezen op papier van eigen bodem, reden waarom in diverse streken papiermolens werden gebouwd of waarom bestaande molens werden verbouwd. Met name de duinstreek in Noord-Holland, evenals de Oost-Veluwe en de Veluwezoom bleken aantrekkelijke gebieden te zijn om papier te maken, omdat men aldaar over voldoende zuiver water kon beschikken. De natuur leverde de benodigde energie in de vorm van wind- of waterkracht. Op de Veluwe groef en verplaatste men sloten en beekbeddingen ten einde de benodigde waterkracht te verkrijgen. Als grondstoffen dienden touwafvallen, lompen en andere afvallen, die in een waterig milieu door hamerbewerking werden vervezeld. De uitvinding van de "Hollander" betekende een grote vooruitgang, omdat in plaats van de omslachtige hamerinstallatie de vervezeling tot stand kwam met behulp van grote rollen, die in een met water en lompen gevulde kuip rond draaiden. De kwaliteit van het papier verbeterde door deze uitvinding aanzienlijk.

Ongelukkig genoeg kon men op de Veluwe slechts in geringe mate van de "Hollander" profiteren, omdat de waterkracht van de traag lopende beken onvoldoende groot was. Het betere, in geheel Europa beroemde Hollands geschept papier was dan ook vrijwel geheel uit Noord-Holland afkomstig, terwijl de Veluwe meer pakpapier en andere eenvoudige papiersoorten leverde. De papiernijverheid bloeide snel op, maar daalde tegen het eind van de 18e eeuw belangrijk in omvang, om in de 19e eeuw vervangen te worden door de papierindustrie, die zich van houtcellulose ging bedienen.

In Renkum voltrok de achteruitgang van het papiermakersambacht zich eerder dan in Heelsum, waar de papiermolens nog tot ver in de 19e eeuw bleven draaien.

Bekende families van papiermakers zijn geweest de geslachten Pannekoek en Schut. In Heelsum bestaat tot op de dag van heden een papierfabriek van Schut. In Renkum zijn grote industriële installaties van Van Gelder gebouwd, waarbij de energie in de vorm van stoom of van elektriciteit wordt geleverd.

De Renkumse en Heelsumse papiermakers werkten in het algemeen met één of enkele papiermakersknechts, en vele leden van de familie Karel hebben het beroep van papiermakersknecht uitgeoefend.

Het beroep van papiermaker en van de knechts had enig aanzien, omdat men over veel ervaring en vakkennis moest beschikken. Op sociaal gebied was men de eigen tijd vooruit, want er bestond al een soort van sociale voorzorg in het geval van ziekte, ongeval of vroegtijdig overlijden van een knecht. Een speciaal fonds dat tot de uitkeringen diende, was opgebouwd uit inhoudingen op het loon van de knechts.

De behuizing van deze mensen schijnt, voor die tijd althans, goed te zijn geweest, getuige een opmerking van Van Lennep[1]. De afstand tussen papiermaker en knechts is niet erg groot geweest. In dit verhaal komt namelijk een huwelijk tussen papiermakers- en papiermakersknechtsfamilies voor, terwijl ook gevonden is dat bij een overlijden van een kind van een knecht de papiermaker en de vader van de overleden kleine samen aangifte op het gemeentehuis gaan doen.

De huidige gemeente Renkum ligt als het ware ingeklemd tussen Arnhem en Wageningen, terwijl de Rijn de zuidgrens vormt. In het Noorden bevindt zich de Veluwe, die voor dit deel onder Ede valt.

Vr de Franse tijd bestond het gebied van de gemeente Renkum uit twee gedeelten, waarvan het ene deel het richtersambt van Renkum heette en waartoe Renkum en een deel van Heelsum, alsmede Oosterbeek behoorde. Daartussen lag een driehoekig gebied: de hoge en vrije heerlijkheid Doorwerth, omvattend Doorwerth, een deel van Heelsum en een deel van de hei tot aan de noordpunt van Doorwerth, in de buurt van Wolfheze. De Wolfhezense of Heelsumse beek vormde de westgrens van de heerlijkheid Doorwerth.

Het kasteel Doorwerth was de woonplaats van de Heer van Doorwerth en een kerkje op een vooruitspringende heuvel in Heelsum diende als godshuis. Het kerkgebouwtje van het oude Wolfheze was al vroeg tot een rune vergaan.

Oosterbeek vormde het armste en minst bewoonde deel van het richtersambt Renkum, in tegenstelling tot Renkum en Heelsum waar na 1650 de welvaart door de papiermakerij toegenomen was.

Renkum en Heelsum werden door één predikant bediend vanaf "de invoering" van de Reformatie in deze streken die ca. 1580 heeft plaats gevonden. Doorwerth bleef feitelijk langere tijd katholiek doordat de Heer van Doorwerth zich tegen de reformatie verzette. Oosterbeek bleef lang op Arnhem georiënteerd wat de kerkelijke organisatie aangaat en kreeg eerst in de loop van de 18e eeuw zelfstandigheid, welke langzaam ontwikkelde en met de armoede van het dorp samenhing. Het Oosterbeekse kerkje evenwel gaat terug tot diep in de middeleeuwen.

In de Franse tijd vormt de "mairie de Oosterbeek" een bestuurlijke eenheid, die de delen Renkum en Doorwerth omvat. Na het vertrek van de Fransen blijft de eenheid nog enige jaren bestaan, maar dan scheidt Doorwerth zich weer af, zodat het oudere gebied in de vorm van de gemeenten Renkum en Doorwerth opnieuw in twee stukken uiteen valt. Deze scheiding is erg onpraktisch, omdat de delen Renkum en Heelsum met het deel Oosterbeek verbonden zijn door middel van wegen die alle dwars door het gebied Doorwerth lopen. Pas in 1923 is de gemeente Doorwerth opgeheven en bij Renkum gevoegd.

Noten
[1]  Zie Demoed: Een groene zoom aan een vaal kleed.
[2]  Voor andere takken van de Kaal familie zie ook Familie Kaal Genealogie.