DEEL 3: DE NOORDHOLLANDSE TAK

1. De eerste generatie

In het nu komende verhaal over de nakomelingen van ds. Antonius Joha beperken wij ons niet alleen tot diegenen die de naam Joha dragen, maar breiden ons overzicht uit met enige gegevens betreffende de diverse echtgenoten van deze Joha's.

Thomas Joha

De Noordhollandse tak begint met Thomas Joha, geb. Dokkum 29.10.1808, ov. Den Haag 13.11.1870, oudste zoon van mr. Antonius Joha en Anna Teitsma. Zijn jeugd heeft hij in Dokkum en in Franeker doorgebracht. Op 27.8.1828 laat hij zich onder nr. 14745 als medisch student in zijn woonplaats inschrijven, maar zijn studie wordt onderbroken, doordat hij zijn zieke vader min of meer moest vervangen en omdat hij zich als vrijwilliger aanmeldt in verband met de tiendaagse veldtocht. Van het Atheneum van Franeker nemen 31 studenten aan deze toch mee, de meeste als flankeur. In 1830 wordt Thomas als korporaal 1 afd. Friesland ingedeeld. De studenten vormen een onderdeel van de Flankeur Kompagnie der Hoogeschool van Groningen, die onder commando hebben gestaan van:

De veldtocht heeft begin augustus 1831 plaats gevonden, maar welke verrichtingen de flankeurs hebben uitgevoerd is niet bekend[1]. Als herinnering aan hun dapperheid hebben alle oudstrijders een bronzen kruis ontvangen, geslagen uit een buitgemaakt Belgisch kanon, enerzijds voorzien van een gekroonde W en het woord Vrijwillig en op de reverso de woorden: Trouw aan Koning en Vaderland 1830- 1831.

Na zijn terugkomst in Friesland uit de militaire dienst in 1831 koopt Thomas in Franeker een zeilmakerij voor f. 10.000, maar kort daarna stopt hij met deze werkzaamheid en verliest daarbij het ingezette geld. Uit welke bron hij de aankoop van het bedrijf heeft gefinancierd, is tot nu toe niet opgehelderd. Thomas hervat zijn studie in Franeker en wordt nu ingeschreven onder nr. 14825 Doccum Med. op 10.2.1833, maar deze periode duurt evenmin erg lang, want reeds op 27.11.1833 trouwt hij in Alkmaar met de aldaar wonende Johanna Frederika Elisabeth Bruijn, oud 20 jaar[2].

Op welke manier Thomas in Noord-Holland contacten heeft verkregen, laat zich misschien als volgt verklaren. Zoals reeds eerder is vermeld, stond in de gemeente Winkel de predikant Eelco Romar[20], een neefje van mr. Antonius Joha. Het is dan ook zeer wel mogelijk dat Thomas, die zijn vader assisteerde, hem eveneens op zijn missies naar Holland vergezelde, waarbij een bezoek aan neef Eelco niet onwaarschijnlijk kan worden geacht. Eelco Romar was bekend met ds. Numan en zijn familie uit het nabijgelegen Oude Niedorp. Johanna Bruijn was een kleindochter van genoemde predikant, die in 1831 overleed en bij wiens begrafenis Eelco Romar de lijkrede hield.

Johanna Bruijn was in het begin van 1833 wees geworden en mogelijk heeft deze omstandigheid haar huwelijk met Thomas versneld. Zij was de dochter van Abraham Bruijn, winkelier, ged. Schagen 1.8.1784, ov. Alkmaar 11.1.1833 en van Henriëtte Ludovica Numan, geb. Ezinge (Gr.) 20.8.1786, ov. Alkmaar 20.1. 1819[3].

Voordat we nader kennis maken met het echtpaar Joha-Bruijn, gaan we ons enigszins bezighouden met de families Bruijn en Numan.

Familie Bruijn

De familie Bruijn stamt uit Noord-Holland[4]. Rembrand Bruijn, goudsmid, ged. Schagen ?, begr. Alkmaar 31.1.1810, tr. Schagen 9.1.1780 Johanna Elisabeth van Harencarspel, geb Eenigenburg (Nd- H.), ov. Alkmaar 29.10.1816, dr. van ds. Abraham van Harencarspel en Johanna Bakker.

De familie Harencarspel stamt uit Utrecht[5]. Een Van Harencarspel trekt naar West-Indië als koopman, waar Abraham februari 1717 in St. Thomas wordt geboren. Zijn vader sterft later in New York. Abraham komt in ons land terug, studeert theologie, wordt predikant te Eenigenburg, waar hij zijn leven blijft en waar hij 25.1.1773 is overleden. Hij trouwt 11.6.1743 met Johanna Bakker, ov. Schagen 4.1.1779 (in de classis van f.35.-.-). Hij laat weduwe met zes kinderen na, van wie het Nederland's Patriciaat slechts twee predikanten noemt. Gegevens uit Eenigenburg beginnen eerst in 1771, zodat doopgegevens niet voorhanden zijn[6].

Johanna Elisabeth trouwt eerst met Maarten Cornelisz. Breed (Breet of Breedt), landbouwer, ged. Schagen 21.7.1754, ov. ald. 24.4.1778 (in de classis f.30.-.-). Het huwelijk vond plaats Schagen 14.8.1774. Uit het eerste huwelijk wordt geboren:

  1. Cornelis, ged. Schagen 24.1.1776.
Uit het tweede huwelijk:
  1. Abraham, ged. Schagen 6.8.1780.
  2. Johanna Geertruida, ged. Schagen 19.1.1783.
  3. Abraham, ged. Schagen 1.8.1784.
  4. Johanna Geertruida, ged. Schagen 6.11.1785.
  5. Hendrik Baart, ged. Schagen 27.11.1791.

Van de genoemde Rembrand Bruijn wordt verteld, dat in zijn winkel het goud en zilver van de stad Schagen werd bewaard en ook dat hij bij de komst van de kozakken in Noord-Holland zijn kostbaarheden in zijn huis heeft verborgen, maar deze niet meer heeft teruggehaald. De koper en latere bewoner van dit huis zou een prachtige winkel hebben gebouwd, klaarblijkelijk van het gevonden geld.

Familie Numan

De familie Numan stamt uit Ezinge in de provincie Groningen. Van Steven Numan, lakfabrikant, en Etje Muntingh zijn ons twee zonen bekend, nl. Henricus, geb. Ezinge 27.10.1746, ov. Baflo 5.7.1787 en Arnoldus, ged. Groningen 31.10.1753[7], ov. Oude Niedorp 28.3.1831. Beiden studeerden theologie en werden predikant. Genoemde Steven was een zoon van Hermannus Numan (1692-1733), chirurgijn en verlakker, en Grietje Vos.

Henricus studeert in Groningen, wordt proponent op 17.10.1769 en krijgt een beroep naar Baflo en Rasquert "in de Marne", waar hij tot zijn dood op 1.7.1787 predikant is geweest. Op 16.9.1778 huwt hij Johanna Sophie Pucard, die hem met vier kinderen overleeft. Een van die kinderen is de latere prof. Alexander Numan, diergeneeskundige in Utrecht.

Arnoldus Numan studeert tevens in Groningen en wordt phil. dr., proponent "onder de Marne", in 1781 naar Vriescheloo beroepen, waar hij door zijn broeder wordt bevestigd. In 1785 gaat hij naar Ezinge en vandaar in 1794 naar Oude Niedorp, Veenhuizen en Zijdewind in de classis van Alkmaar, alwaar hij door zijn neef Ds. H.W. Benier te Aartswoud wordt bevestigd. Hij is in 1803 secretaris van de synode van Noord-Holland geweest.

Ds. Arnoldus Numan was een zeer geliefd man, die buiten zijn ambt ook in de wiskunde werkzaam was en bovendien de functie van lid in de provinciale commissie van onderwijs in Noord-Holland vervulde[8].

Hij trouwt (plaats en datum onbekend) (1) Frederika Elisabeth Schutze, geb. Namen ca. 1754, ov. Oude Niedorp 7.3.1799, (2) Maria Berendina Kornlein, weduwe van Pieter Schagen te Alkmaar, geb. Oldenzaal 17.4.1769, ov. O. Niedorp 19.2.1831, dr. van Michiel en Maria Komper. Uit het eerste huwelijk worden geboren[9]:

  1. Etta Clasina, ged. Vriescheloo 27.2.1785, tr. Oude Niedorp 9.10.1808 Isašk van Harencarspel, geb. Eenigenburg, wonend te Alkmaar.
  2. Henriëtte Ludovica, ged. Ezinge 20.8.1786.
  3. Stephana Margaretha, ged. Ezinge 4.5.1788, tr. Oude Niedorp 5 slachtm. 1809 Pieter Oyevaar.
  4. Joannes Jacobus, ged. Ezinge 20.5.1791, tr. Oude Niedorp 1.5.1829 Anna Elizabeth Herbrink, geb. te Amsterdam, 25 jaar, dr. van Jan, vrederechter te Zijpe, en Elizabeth Uhlenbroek. Joannes wordt later deurwaarder in Alkmaar.
  5. Hermana Petronella, ged. Ezinge 30.9.1793.
  6. Johanna Cornelia, geb./ged. Oude Niedorp 2./10.1.1796.
  7. Clasina Adriana, geb./ged. Oude Niedorp 28.2./3.3.1797.
Twee van de drie jongste kinderen zijn in 1802 overleden.

Abraham Bruijn, j.m., ged. Schagen 1.8.1784, winkelier in Alkmaar, ond./tr. Alkmaar/O. Niedorp 25.3./15.4.1810 Henriëtte Ludovica Numan. In Alkmaar worden hun vier kinderen geboren:

  1. Cornelis Breed, geb./ged. 10./16.1.1811, later notaris te Uitgeest, tr. ald. 28.8.1845 Margaretha Verweel, wed. Isašk Vooren, winkelier, geb. Monnickendam 14.4.1805, ov. Uitgeest 17.2.1872, dr. van Jacob en Geesje Geerhout[10].
  2. Johanna Frederica Elisabeth, geb. 4.1.1813.
  3. Arnoldina Jacoba, geb. 22.2.1815.
  4. Rembrand Hendrik, geb. 4.7.1817.

Nadat Henriëtte 20.1.1819 in Alkmaar is overleden, hertrouwt Abraham te Purmerend Johanna Scheffer, j.d., geb. ald. 5.1.1796, dr. van Hendrik en Catharina Sterke.

Joha-Bruijn

Keren we terug na de korte beschrijving van de families Bruijn en Numan tot het echtpaar Joha-Bruijn. Kort na het overlijden van Abraham op 11.1.1833 trouwen Thomas Joha en Johanna Frederica Elizabeth Bruijn te Alkmaar op 27.11.1833.

Het huwelijk van Thomas en Johanna is niet zonder moeilijkheden tot stand gekomen. Anna Teitsma, de moeder van Thomas, is niet naar Alkmaar gereisd om de bruiloft van haar oudste zoon mee te maken, maar zij beperkt zich tot een schriftelijke toestemming, afgegeven door haar notaris te Franeker. Daar Johanna een minderjarige wees is, dient de familieraad schriftelijk met het huwelijk akkoord te gaan, hetgeen bij notariële acte d.d. 26.11.1833 geschiedt en waarbij enige financiële beperkingen met betrekking tot de erfenis van Johanna worden opgesteld[11].

Na het huwelijk gaan Thomas en Johanna wonen Oude Gracht 39 te Alkmaar, waar hij het beroep van azijnmaker uitoefent. In enkele notariële acten heet hij aldus, dan wel azijnfabrikant, hetgeen aangeeft dat hij een zelfstandige is. Deze positie bevalt Thomas niet erg en hij besluit de studie opnieuw te hervatten aan een pas opgerichte opleiding in Alkmaar. Op welke manier hij deze studie heeft gefinancierd, is ons (nog) onbekend.

In het begin van de 19e eeuw bestond er ons land een groot gebrek aan geschoolde medische hulp, waarin de universiteiten niet konden voorzien. Bij Kon. Besluit van 6.1.1823 werd bepaald, dat men scholen zou oprichten voor opleiding van genees-, heel-, verlos- en artsenijbereidkundigen. Aan deze scholen zouden universitair opgeleide geneeskundigen en apothekers theoretische en practische lessen verzorgen in vierjarige cursussen, die uit twee jaar theorie, een jaar practijk, gevolgd door een jaar theorie zouden bestaan. In Amsterdam, Haarlem, Hoorn, Rotterdam, Middelburg en Alkmaar zijn dergelijke scholen opgericht, die tot 1865 hebben bestaan en zijn vervallen op grond van de nieuwe geneeskundige wetten van 2.6.1865.

Thomas volgt de lessen aan de school van Alkmaar en is na een examen te Haarlem op 12.6.1839 als "heel- en vroedmeester ten plattelande" toegelaten. Hij vestigt zich in Noord-Scharwoude en vangt zijn ambt aan in plaatsen rond Alkmaar: Graft, Scharwoude en Oudorp.

In het verslag van de gemeenteraadsvergadering van Oudorp van 7.5.1845 is opgetekend, dat de raad een verzoek van de genees- en heelmeester T. Joha in zake de toelating tot behandeling van de armen in Oudorp aanhoudt. Deze behandeling zal nl. ten laste van de gemeente komen. Thomas is toch toegelaten, want in de gemeentelijke uitgaven over het jaar 1846 treft men aan, dat op 18.1.1846 aan de Chirurgijn Još de somma van f. 15,65 is betaald en dat de Chirurgijn Još een fooi voor de armen van f. 0,65 heeft gegeven.

In het zelfde jaar is Thomas Joha in gelijke functie naar Nieuwkoop vertrokken, vandaar in 1854 naar Gramsbergen in Overijssel, vanwaar hij reeds in 1856 naar Barsingerhorn in Noord-Holland terugkeert. Hier is hij als heel- en vroedmeester tot 1869 werkzaam gebleven. In dat jaar legt hij zijn ambt neer, verhuist naar Den Haag, waar hij op 13.11.1870 is overleden.

Zijn vrouw heeft hem vele jaren overleefd. Zij is naar Dordrecht verhuisd, waar haar oudste zoon zich gevestigd heeft en in welke stad zij op bijna 90-jarige leeftijd op 23.5.1902 is gestorven.

Kinderen uit het huwelijk van Thomas Joha en Johanna Bruijn zijn:

  1. Anne Antonius, geb. Alkmaar 26.11.1836[12], ov. Dordrecht 19.2.1906.
  2. Jouke, geb. Alkmaar 19.2.1839, ov. Weltevreden 23.11.1884.
  3. Cornelis Rembrand Hendrik, geb. Noord-Scharwoude 17.8.1841, ov. ergens in China[13].

Maria Margaretha Joha

Het tweede lid van de Noordhollandse tak is Maria Margaretha, het derde kind van mr. Antonius Joha en Anna Teitsma, zuster van Thomas, geb. Dokkum 22.10.1814, ov. Bussum 12.6.1901[14].

Na vertrek van Thomas uit het ouderlijk huis in 1833 blijft Maria bij haar moeder in Franeker wonen. Waarschijnlijk heeft zij door het huwelijk van haar broer haar toekomstige man in Alkmaar leren kennen. Op 16.7.1835 trouwt Maria in Franeker met Gerrit van de Pol, geb. Alkmaar 7.3.1808[15], hervormd gedoopt 23.4.1808, ov. Bussum 2.6.1872, zn. van Cornelis en Agatha Boom. Gerrit had een broer Jan, geb./ged. Alkmaar 2.5./20.6.1810.

Genoemde Cornelis van de Pol, ged. Alkmaar 1782, ov. ald. 27.10.1833, was de zoon van Gerrit van de Pol en Elisabeth Flessenaar. Hij trouwde Agatha Boom, geb./ged. Jisp 30.6./ 4.7.1784, ov. Alkmaar 23.2.1844, dr. van Jan Boom en Geertruida Baseroy, weduwe van Cornelis van de Pol[16].

Gerrit van de Pol was koopman in Alkmaar. De echtgenoten testeren elkaar bij not. acte d.d. 5.11.1836[17]. De familie van de Pol kreeg zeven kinderen, die alle in Alkmaar zijn geboren[18] en evenals de moeder doopsgezind werden:

  1. Anna Teitsma, geb. 25.6.1837.
  2. Cornelis, geb. 8.12.1838.
  3. Agatha, geb 27.3.1841, ov. Amsterdam 14.11.1907.
  4. Magdalena Margaretha, geb. 24.7.1842.
  5. Maria Margaretha, geb. 26.10.1846.
  6. Gerardus Antonius, geb. 3.10.1849.
  7. Jouke, geb./ov. 14./15.8.1856.

Het hele gezin verhuist in 1860 naar Bussum, waar Gerrit van de Pol gaat rentenieren. Hij overlijdt Bussum 2.6.1872, waarbij zijn verscheiden wordt aangegeven door zoon Gerrit, 22 jaar, rentenier en Jouke Teitsma Joha, zwager, buurman en rentenier. Zij delen mee dat hun vader resp. zwager als rentenier is overleden, wonend in huis no. 43[19].

Dochter Agatha is in Bussum 20.4.1871 met haar neef Everhardus Jacobus Joha, zn. van genoemde Jouke Teitsma, getrouwd. Deze oefende het beroep van winkelier uit in Amsterdam.

Noten
[1]  Verzameling van Dagorders, Officiëele Rapporten en andere Berigten betrekkelijk den Tiendaagschen Veldtogt in 1831, Uitg. J.P. Houtman te Utrecht, 1883.
[2]  G.A. Alkmaar.
[3]  G.A. Alkmaar.
[4]  G.A. Alkmaar.
[5]  Zie Ned. Patr. 6, 143 (1915).
[6]  R.A. Noord-Holland.
[7]  R.A. Groningen.
[8]  Van Duinkereken: Pred. sedert de reductie in Groningen.
[9]  R.A. Noord-Holland.
[10]  G.A. Alkmaar en R.A. Noord-Holland.
[11]  Not. arch. Alkmaar, acte 271, inv. 1149.
[12]  G.A. Alkmaar.
[13]  Geen gegevens gevonden in Conslaire Burg. Stand, R.A. Zuid-Holland.
[14]  R.A. Noord-Holland.
[15]  G.A. Alkmaar.
[16]  R.A. Noord-Holland.
[17]  Acten 123 en 124, G.A. Alkmaar.
[18]  R.A. Noord-Holland.
[19]  R.A. Noord-Holland.
[20]  Zie DEEL 2: DE FRIESE JOHA'S 3. De tweede generatie Friese Joha's