DEEL 2: DE FRIESE JOHA'S

3. De tweede generatie Friese Joha's

De tweede generatie van de Friese Joha's[12] verschaft ons de geschiedenis van de twee zonen van Antonius, Thomas Philippus en Philippus. Aan deze beiden zullen we nu nadere aandacht besteden en beginnen met de oudste.

1. Thomas Philippus Joha

Thomas Philippus Joha (1750-1812) heeft een heel bewogen leven gehad, zowel op kerkelijk terrein als ook en wel in het bijzonder op politiek gebied. Hij groeit op in het stille Britswerd en geniet daarna voorbereidend onderwijs in Leeuwarden. Wordt in Groningen op 11.9.1766 Frisius ingeschreven en vervolgt vanaf 10.9.1767 zijn studie in Franeker onder nr. 13369.

Thomas Joha woonde als student op kamers of was in de kost bij de familie Romar in Franeker. In zijn studententijd werd er nogal wat gedronken en geruzied. Hij is dan ook meer dan eens wegens vechten veroordeeld, eenmaal zelfs met een wapen[1]. Het bleef niet bij drinken, want Thomas kreeg een kind bij de veel oudere Maria Louise Romar, dochter van zijn hospes. Dit kind is ongeveer jan. 1772 geboren, maar gegevens zijn tot nu toe niet gevonden. De moeder en vader werden op het matje geroepen bij de kerkelijke autoriteiten. Hem wordt de straf van censuur opgelegd zodat hij niet mag preken, nl. van 4.2.1772 tot na Pinksteren van dat jaar (9.6.1772). Zij krijgt een oproep om op 18.3.1772 te verschijnen omdat zij een kind in onecht bij Thomas Joha heeft gewonnen en zij mag gedurende een jaar niet aan het avondmaal deelnemen.

In 1771 studeert hij af als theoloog en wordt in september proponent in de classis Sneek. Tijdens zijn studie in Franeker ondergaat hij de invloed van de bekende professor Hermanus Venema, die een van zijn leermeesters is. Van 1771 tot 1773 doet Thomas dienst als hulpprediker in Huins.

Hij trouwt te Britswerd 7.4.1774 met Maria Louisa Romar, ged. Franeker 26.2.1743, ov. Lichtaard 28.10.1832, dochter van Pierre Jean Baptiste Reyne de Romar[13] en Johanna Johannes. Dit echtpaar was in Franeker op 2.5.1741 gehuwd en kreeg de volgende vijf kinderen:

  1. Dionysius, ged. Franeker 28.5.1741, tr. Franeker 9.10.1763 Hester Piebenga en daarna met Gertruid Alta uit Bozum op 20.7.1783 te Franeker.
  2. Maria Louisa.
  3. Paul Hyacinthe, ged. Franeker 28.5.1745, ov. aldaar 4.8. 1796, tr. Franeker 4.11.1770 Sjoukje Otter Salverda, ged. Franeker 8.4.1750, ov. ald. 23.3.1823. Hij was apotheker.
  4. Anna Claire, ged. Franeker 17.12.1747, tr. ald. 1.4.1787 Pieter Sieswerda.
  5. Johanna Sophia, ged. Franeker 11.4.1751, ov. Blija 7.5.1782, tr. ald. 9.1.1777 ds. Petrus Brouwer, ged. Tjallebert 25.3. 1749, ov. Ternaard 12.5.1830.

De namen en voornamen van de familie De Romar doen de sterke vermoedens opkomen van een Franse afkomst. Bij de geboorte van een der kinderen wordt de vader "spreekmeester" genoemd.

Uit de familie Romar zijn twee predikanten bekend:

De gegevens betreffende de kerkelijke werkzaamheden van Thomas zijn bescheiden van omvang te noemen. Hij wordt in 1773 in Wijnaldum beroepen, bevestigd door ds. P. Odolphi van Herbayem op 7.11.1773, waarna de intrede op 14.11 volgt. Hij dient deze gemeente tot 1770, in welk jaar hij een beroep ontvangt naar de Vliedorpen Reitsum, Genum en Lichtaard, ten westen van Dokkum. Hij neemt afscheid van Wijnaldum op 2.5.1779 en doet intrede te Reitsum op 26.5. In 1807 is hij presis van de Friese synode, die dat jaar in Franeker wordt gehouden. Na zijn overlijden heeft ds. L.W. van der Weide een lijkrede gehouden.

Veel meer betekenis heeft Thomas Joha op het Friese politieke terrein gehad. Hij is een belangrijk patriot geweest en deze opvatting strookte met die van de bewoners van zijn gemeenten Wijnaldum en de Vliedorpen. In dit verhaal beperken we ons tot de hoofdzaken, omdat deze kant van zijn leven zoveel beter en uitvoeriger beschreven is in een scriptie over hem van de hand van J.T. Joha uit Drachten[2].

In zijn studententijd heeft Thomas diverse jongere en oudere personen ontmoet, met wie hij later zou samenwerken dan wel zou bestrijden. Tot de eerste groep van personen behoorden zeker J. Keimpe Teitsma, doopsgezind bankier uit Dokkum, de gebroeders van Beijma, Petrus Brouwer, de predikant, en de familie de Romar. Zijn beroep naar Wijnaldum heeft hij te danken gehad aan de vader van de genoemde broers, Julius Matthijs van Beyma, die door zijn stemmenaantal de predikantsbenoeming bepaalde.

Vanaf de komst naar de Vlieterpen beginnen Thomas' politieke activiteiten toe te nemen. Hij werkt dan veel samen met Coert Lambertus van Beijma, secretaris van West Dongeradeel, alsmede met de grietman Jhr. Sikko Douwe van Aijlva, die beiden vurige patriotten waren.

Zolang de oorlog met Engeland voortduurde (1780-1784), bleven de patriotten bijeen, maar na de vrede keerde de aristocratische vleugel zich meer naar de stadhouder en verwijderde zich van de radicale vleugel, geleid door Van Beijma. Overal werden door deze radicale vleugel militaire vrijcorpsen opgericht. Zo richtten Thomas Joha, Petrus Brouwer en Coert Lambertus van Beijma een dergelijk corps op in Ferwerd (1784).

Tijdens de Friese staatsgreep van 1787 in Franeker, geleid door Coert Lambertus, waarschuwden Valckenaar en Joha voor onbezonnen daden. Na de mislukking van de opstand in 1787 moesten zeer velen, o.a. Coert Lambertus en Sikko Douwe, P. Romar en Ph. Meinsma vluchten.

De in Friesland gebleven Van Beijma's en Thomas Joha namen nu de taak op, de bezittingen van de gevluchte patriotten veilig te stellen. Daartoe reisde Thomas in oktober 1787 naar Bremen waar Sikko Douwe vertoefde. Aldaar troffen zijn te zamen een regeling, waarbij Sikko Douwe zijn eigendommen aan zijn zuster, freule Elizabeth Anna, overdeed, op voorwaarde dat zij hem zou onderhouden en zijn schulden, groot 50.000 cl. glds., uit de opbrengsten van huren etc. zou betalen. Thomas werd tot waarnemer voor de zaken van de freule benoemd. Teruggekomen nam Thomas de positie van Sikko Douwe in West-Dongeradeel over met uitzondering van de ambten.

Thomas trachtte nu bij de verkiezingen in de grietenij de uitslagen te be´nvloeden. Na een bezoek aan Sikko Douwe in Duinkerken, waarheen deze intussen was vertrokken, probeerde Joha vanaf 1791 macht te verkrijgen door het vergeven van profijtelijke functies. In juli 1791 stierf de freule Elisabeth Anna, ongehuwd. Hierdoor werd Śpro formaŚ Thomas Joha van waarnemer tot erfgenaam met alle lusten en lasten. Lasten waren er vele, lusten ontbraken daarentegen geheel.

Deze situatie heeft na terugkeer van Sikko Douwe in 1795 tot een verbitterde pennestrijd aanleiding gegeven die tot 1801 duurde, in welk jaar Sikko Douwe tot betaling van 15.000 cl. glds. werd veroordeeld. Hierna werd de strijdbijl via een advertentie in de Leeuwarder Courant openlijk begraven.

Het ging Thomas Joha in die jaren, financieel bekeken, heel niet slecht. Hij had veel land in Reitsum aangekocht en hield zich voorts bezig met hypotheken en verzekeringen, etc.

Tussen 1790 en 1795 zette Joha een uitgebreid net van correspondentie op met patriotten in Friesland, in andere gewesten en met de vluchtelingen in Bremen en Frankrijk. Op deze manier wist hij nauwkeurig wat er zich overal afspeelde en dat was van belang nu de Fransen naar het noorden oprukten (1793-1795).

Er zijn talloze brieven en stukken van hem bewaard gebleven, wel meer dan 250. Als politicus gebruikte hij een zegel met een alliantiewapen. Het mannelijk schild bevat drie rozen met vijf bladen, 2-1, het vrouwelijk schild een verkort kruis. De herkomst van deze wapens in onbekend. In Eupen zijn geen wapens gevonden, want die waren daar niet in gebruik. Een wapen van de familie Schinck is eerst in de 18e eeuw in de Beierse tak ontstaan. Misschien heeft Thomas de drie roosjes uit het wapen ontleend aan de roos, die op het schild boven de zijdeur van de kerk van Britswerd wordt aangetroffen.

Van 1794 werden overal in de republiek clubs opgericht die de komende omwenteling voorbereidden. In Leeuwarden opereerde een Comité Révolutionnair (C.R.) als bestuur van de Leeuwarder Leesgezelschappen. Joha, Van Beijma en Teitsma waren, buiten het C.R. om in januari 1795 bezig met de laatste voorbeidingen. Op 2 februari namen zijn het heft in handen, waarna op 5 februari het C.R. met hen werd uitgebreid. De volgende dag heropende Thomas Joha met een "aanspraak" het gebouw van de Fraterniteit in Leeuwarden. Dadelijk werd een Comité Révolutionnair Provincial (C.R.P.) gevormd. In dezelfde maand was de algehele omwenteling in Friesland voltooid.

Na afzetting van het oude regime werden op 19 februari de Provisionele Representanten van het Friesche Volk ge´nstalleerd met als secretarissen E.M. van Beijma en Petrus Brouwer, als voorzitter van de Commissie Waarnemende Zaken van het College J.K. Teitsma en als eerste voorzitter ds. Thomas Joha.

Als afgevaardigde van Friesland naar de Staten Generaal kwam Thomas Joha naar Den Haag. Hier werd hij de voorman van de federalistische stroming, die naar het behoud van de gewestelijke vrijheden en previlegies streefde. De unitaristen daarentegen wensten een sterk centraal gezag, waarbij de gewesten slechts uitvoerende macht zouden behouden. Deze laatste partij won in 1796 het pleit geholpen door de Fransen. De Franse gezant Noël bestreed de federalisten fel en hij bereikte in Friesland zijn doel, door de Franse troepen in januari 1796 uit dit gewest terug te roepen.

De unitaristen uit de Leeuwarder clubs verjoegen Joha. Na een korte terugkeer in februari van enkele weken werden Joha en E.M. van Beijma naar Groningen verdreven. Eerst in 1798 keerde Joha naar Friesland terug, maar speelde geen rol van betekenis meer in de politiek. Hij hield zich tot zijn dood bezig met zijn ambt van predikant en met allerlei zakelijke activiteiten.

In Wijnaldum zijn drie kinderen geboren uit het huwelijk van Thomas Philippus en Maria Louisa de Romar[3]:

  1. Maria Thomas, ged. Wijnaldum 13.9.1774, ov. Lichtaard 22.8.1837, tr. Reitsum 7.10.1798 Pieter Aukes, geb./ged. Holwerd 20.1./14.2.1773, ov. Lichtaard 24.5.1859. Was landbouwer, diaken en loco-maire. Pieter Aukes nam in 1812 de naam Joha aan.
  2. Antonia, ged. 21.4.1777, ov. Reitsum 17.3.1787.
  3. Antonius, ged. 27.3.1779, ov. Franeker 17.4.1829, tr. Reitsum 22.8.1802 Anna Teitsma[4], geb. Dokkum 21.10.1778, ov. Noord-Scharwoude 6.11.1843[5].

Na de dood van Thomas verhuisde Maria Louisa op 30.9.1813 naar Ferwerd, vanwaar zij naar Lichtaard terugkeerde op 19.8. 1821. Zij woonde tot haar overlijden in bij haar dochter en schoonzoon op de boerderij Lichtaard nr. 9.

2. Philippus Joha

Thans gaan we over op de beschrijving van de gegevens van de tweede zoon van Antonius Joha, namelijk Philippus Joha, ged. Britswerd 10.2.1752. Hij studeerde, evenals aanvankelijk zijn oudere broer Thomas, theologie in Groningen en werd aldaar op 15.9.1772 als Joha Frisius ingeschreven.

In 1778 onder de classis Sneek proponent geworden, ontving hij in het zelfde jaar een beroep naar Oosterbierum in de classis Franeker. Zijn broer Thomas bevestigde hem aldaar op 5.10. 1778, waarna de intrede op 11.10.1778 volgde. Hij zou deze gemeente zijn hele leven blijven dienen. In 1813 bouwde men in de kerk een orgel dat hij op 14 september heeft ingewijd.

Ds. Philippus Joha had meerdere studenten onder wie ene Steinfort, later predikant van Go´nga. Dat Philippus een erudiet was, moge blijken uit de opbouw van zijn bibliotheek. Deze boekenschat, behelzende ongeveer 1000 titels en van goede kwaliteit, werd in 1820 door Teake Jans Tuinstra in Franeker geveild[6]. Hij bestond voor 50% uit theologische, voor 40% uit filosofische-klassieke en voor de rest uit historische en wis- en natuurkundige werken.

Zijn laatste preek hield hij op 31 oktober 1819 en overleed daarna op 16 november. Ds. E. Nauta hield de lijkrede, waarna hij in de kerk werd begraven. Hij liet een testament achter[7] en het boelgoed bracht f. 358.80[8] op.

Philippus trouwde te Oosterbierum 27.2.1780 met Sara Regina de Vries, ged. Minnertsga 30.9.1759, ov. Sexbierum 26.8.1821, dr. van ds. Wouter de Vries en Maria Out[9]. Uit dit huwelijk zijn twee zoons geboren:

  1. Wouter Antonius, ged. Oosterbierum 17.11.1780, ov. jong.
  2. Hermanus (Philippus) Out, ged. Oosterbierum 19.9.1782, ov. Sexbierum 22.2.1825. Hermanus tr. Oosterbierum 24.4.1802 Hinke Jans Hofma, geb. Sexbierum 2.12.1777, ov. aldaar 21.7.1847[10].

Betreffende ds. Wouter De Vries het navolgende. Wouterus Gualterus de Vries, geb. Amsterdam 23.6.1717, ov. Sexbierum 4.2.1805 was de zoon van een koopman, die uit Overijssel stamde. Trouwde 7.12.1751 Maria Out. Hij studeerde in Groningen en Franeker, kreeg een beroep naar Minnertsga in 1741 en vervolgens in 1775 naar Sexbierum. Uit het huwelijk werden twee zoons en twee dochters geboren, welke laatsten trouwden met predikanten, namelijk met Philippus Joha en met R.A. Cloppenbusch uit Wijnaldum.

Uit het huwelijk van Hermanus (Philippus) Out Joha en Hinke Jans Hofma worden tien dochters geboren, die allen in Sexbierum zijn geboren, gedoopt en overleden[11]:

  1. Maria, geb. 4.9.1803, ov. 25.9.1803.
  2. Maria Harmanus Out, geb. 5.5.1805, ov. 23.3.1869.
  3. Aafke, geb. 27.3.1805, ov. 14.12.1877.
  4. Sara Regina, geb. 5.3.1807, ov. 22.3.1807.
  5. Jantje, geb. 4.4.1808, ov. 25.12.1808.
  6. (naamloos), geb. 14.5.1811
  7. Zara Regina, geb. 24.1.1814, ov. 3.10.1873.[14]
  8. Philippina, geb. 26.10.1815, ov. ?.11.1817.
  9. Jantje, geb. 12.3.1817, ov. Franeker 20.10.1883.
  10. Geertrui Elisabet (Elisabeth), geb. 29.3.1819, ov. ?.5.1856.

Vermeldenswaard is dat de oudste dochter Maria op 25.9.1803 is gedoopt "voor den 87 jarigen grijsaart den weleerwaarden Heer W. de Vries, laatst predikant alhier, thans salve honore emeritus, zijnde de grootvader van het gedoopte kind".

Met Hermanus Out is deze tak van de Friese Joha's in mannelijke lijn uitgestorven.

Noten
[1]  Zie Strafregister Fiese Academie.
[2]  J.T. Joha, Tussen preekstoel en voorzittershamer, Drachten 1981.
[3]  R.A. Friesland.
[4]  R.A. Friesland.
[5]  R.A. Noord-Holland.
[6]  Not. Arch. nr. 40.009, acte 1548.
[7]  Not. Arch. 41.034 Not. J. Telting, acte nr. 35, d.d. 25.3.1820.
[8]  Id. acte 145, d.d. 24.10.1820.
[9]  R.A. Friesland.
[10]  Zie genealogie Westra
[11]  Zie genealogie Westra
[12]  Zie ook genealogie Westra/Tonneman
[13]  Zie ook genealogie Mollema/Visser
[14]  Zie ook genealogie Westra. Tr. Jan Harmens Westra.