DEEL 2: DE FRIESE JOHA'S

2. Ds. Antonius Joha

We starten ons verhaal bij de aankomst van Anthon in Groningen, waar hij als Antonius Joha, 11 sept. 1739, Limburgensis Theol. wordt ingeschreven. De band met Eupen is echter nog niet verbroken, want in het kerkeboek van die plaats vinden we het volgende gegeven. Op 31 maart 1741 "an Wittib Thomas Johae und drij Söhne Nicolaes, Thomas und Anthon Johae myt Intresse gethan laut Ihre Obligation" een totaalbedrag van fl. 118-17 luiks verstrekt en per 31.3.1742 wordt fl. 7-7-2 als rente bijgeschreven. Deze bedragen ontving Catharina van de Reformirte Gemeinde te Eupen en er wordt verder meegedeeld, dat een deel van het bedrag uit een erfenis afkomstig is, terwijl de rest per kas is betaald.

De kerkelijke gemeente beheerde dus gelden, die rentedragend werden uitgezet. Onzeker in dit geval is, of Anthon lijfelijk bij de transactie aanwezig is geweest. Wel is duidelijk, dat het opgenomen geld voor de studie van Anthon is gebruikt, want op 20.6.1750 wordt genoteerd, dat Anthon Jöha "zeitlich prediger zu Britswert und Wiewert in Friesland" het geld met fl. luiks 193.7.1 heeft "abgelegt" en op 5.10.1753 is het geld weer "rentbahr" gemaakt.

De studie in Groningen verliep voorspoedig, want op 11.9.1742 wordt hij proponent en is dan als dominee beroepbaar. De duur van de universitaire studie was in die tijden veel korter dan in onze dagen.

Ds. Antonius Joha ontvangt al in september 1742 een beroep naar Weiwert, een plaatsje onder de rook van Delfzijl. Deze gemeente bestaat al lang niet meer en het kerkje evenmin. In 1844 werd Weiwert met het naburige Heveskes verenigd.

Hij wordt door ds. Pabus uit Farmsum bevestigd en doet daarna zijn intrede op 24 maart 1743. Hij zal er tot het jaar 1749 als predikant blijven. Inmiddels trouwt Antonius in Leeuwarden in de Grote of Jacobijnenkerk op 18.12.1746 met Maria Meinsma (of Mijnsma), waardoor hij een intrede verkrijgt in een aanzienlijke niet adellijke familie.

Maria Meinsma, ged. 11.9.1718 te Leeuwarden, was het tweede kind van Philippus Meinsma, ged. Leeuwarden 1.1.1690, ov. ?, zoon van Meijnse Meijnser en Sibrig Bodendijk (geh. ald. 25.1. 1674), en Foockeltje Abrams Ferwerda, ged. Leeuwarden 14.9. 1681, ov. ald. 30.1.1742, dr. van Abra(ha)m Harmens en Doedtie Rinsses (geh. Leeuwarden 3.12.1679). De kinderen noemen zich Ferwerda[1].

Philippus Meinsma en Foockeltje Ferwerda trouwden Leeuwarden, Jacobijnenkerk 13.1.1715, waar hij passementwerker en kolonel van de schutterij[2] was. Kinderen van dit echtpaar zijn:

  1. Sibrigh, ged. Leeuwarden 23.2.1716, ov. ald. 26.10.1783, tr. Gerlof Regneri, koopman.
  2. Maria.
  3. Abraham, ged. Leeuwarden 1721, ov. ald. 1797, o.a. burgermeester en hopleider (een soort militaire functie) te Leeuwarden, tr. ald. in de Waalse kerk Marie Snieder.
  4. Doetje, ged. Leeuwarden 11.8.1726, ov. ?. Tr. (1) Cornjum 25.4.1756 ds. Regnerus Wassenaar, ged. Franeker 26.1.1720, ov. ald. 26.12.1772. Tr. (2) Franeker 7.1.1776 Feike Beerts Wassenaar, mr. bakker en burgermeester van Franeker, ged. ald. 26.2.1722, ov. ald. 16.2.1795.

Op 6.10.1749 wordt Antonius naar Britswerd en Wiewerd in de classis Sneek beroepen. De bevestiging en intrede hebben resp. 26.8. en 2.9.1749 plaats gevonden.

Korte tijd daarna begint een restauratie van de kerk van Britswerd en aan het eind van deze werkzaamheden wijdt ds. Joha de herstelde kerk in met een preek over Ps. 84 vs. 2. Een herinneringsbord uit 1753 boven de zijdeur vermeldt, dat de grietman van Baederadeel, Ernst Frans van Aylva en de kerkvoogden Tjaard van Aylva, grietman van Wonseradeel en Cornelis Pieters Bosma de kerk van binnen hebben vernieuwd, toen ds. Antonius Joha er predikant was. Het verschil in de stand van de adel en die, waartoe de predikant behoorde, is duidelijk aanwijsbaar.

Veel meer uit het leven van Antonius en zijn vrouw is ons niet bekend. Hij is een tijd lang voogd geweest over zijn neef Jan Philippus Wassenaar, zoon van Regnerus en Doetje Meinsma.

Door met Ant. Joha te tekenen heeft hij zijn doopnaam Anthon in ere gehouden.

In Eupen was het bekend, dat hij in Friesland getrouwd was en wel met een N. Meinsma. Of hij zijn geboorteplaats ooit heeft teruggezien weten we niet.

Antonius en Maria krijgen vier kinderen die allen in Britswerd geboren en gedoopt zijn[3]:

  1. Thomas Philippus, ged. 24.10.1750, ov. Reitsum 8.5.1812.
  2. Philippus, ged. 10.2.1752, ov. Oosterbierum 16.11.1819.
  3. Maria Catharina, ged. 21.11.1751, ov. Sneek 1.4.1810, tr. Britswerd 5.6.1785 Jan Bakker, geb. Bolsward 26.5.1759, ged. ald. 10.6.1759, zoon van Meine Bakker. Na zijn studie in Franeker werd Jan Bakker predikant in de gemeente Witmarsum, waar hij intrede deed op 26.6.1785. Om staatkundige redenen verklaarden de Staten van Friesland op 27.10.1792 hem van alle bedieningen vervallen en ongeschikt. Twee dagen later werd hij in een buitengewone vergadering van de classis van Bolsward uit zijn ambt ontzet. In 1795 vernietigde de nieuwe regering het ontslag, waarna Bakker aan de classis verzocht hem in zijn eer en waardigheid te herstellen. Hij verkreeg zijn eerherstel, zag af van terugkeer naar Witmarsum, maar preekte wel officieel zijn afscheid in de kerk aldaar op 19.4.1795. Hij vertrok naar Amsterdam, waar hij in 1796 Praeceptor aan de Latijnse school werd. In 1801 schreef hij een lofrede op prof. Herman Venema. Zijn functie van leraar latijn en grieks zou hij tot in de zomer van 1833 uitoefenen. Zijn eervol ontslag is gememoreerd in de Notulen, d.d. 20 augustus 1833 van de verhandelingen in de bijeenkomsten van Curatoren van het Atheneum en de Latijnsche Schoolen te Amsterdam[4]. In een overzicht uit 1809 blijkt, dat zijn titel preceptor is, terwijl hij de leiding heeft van de "oude zesde klasse" tegen een jaarwedde van f. 1050. In 1819 bedraagt zijn salaris f. 1150, waarbij is aangetekend dat hij "geene graad in de letteren" bezit[5].
  4. Fokeltje, ged. 11.2.1757, ov. Blija 23.12.1783, tr. Blija 2.3.1783 met ds. Petrus Brouwer, ged. Tjallebert 25.3.1749, ov. Ternaard 12.5.1830, zoon van ds. Petrus Brouwer en Amalia Johanna Kutsch. Na zijn studie in Franeker deed Petrus Brouwer intrede als predikant te Blija en Hoogebeintum op 2.6.1772. Hij bleef daar tot 4.3.1828 toen hij afscheid nam en ging wonen bij de predikant van Ternaard, ds. J. van Houten. Hij trouwde tweemaal: (1) Johanna Sophia Romar, ov. 7.5.1782 (zie later) en (2) Fokeltje of Fokelina Joha, die na de geboorte van een dochter Fokelina, ged. Blija 19.12.1783, is overleden. Deze dochter trouwde later met Kornelis Jorrits, Blija 9.9.1810, die zich in 1812 Posthumus noemde. Hij werd maire en municipaalraad in Ferwerd.

Maria Meinsma is waarschijnlijk in 1782 overleden, af te leiden uit de lidmatenoverzichten van Britswerd. Antonius sterft aldaar op 31.5.1784.

Noten
[1]  R.A. Noord-Holland.
[2]  R.A. Friesland.
[3]  R.A. Friesland.
[4]  G.A. Amsterdam, dl. 4, pag. 256.
[5]  G.A. Amsterdam, dl. 3, pag 431.