DEEL 2: DE FRIESE JOHA'S

1. Inleiding

Evenals wij de familiegeschiedenis van de Eupense Joha's lieten voorafgaan door een korte samenvatting over de historie van Eupen, achten wij het voor de lezer nuttig een beknopt overzicht te geven omtrent de Friese omstandigheden, met name die uit de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw. De geschiedenis van het gewest Friesland is namelijk niet gelijk verlopen als de Hollandse historie en vandaar dat we enige aandacht dienen te geven aan de ontwikkeling van deze provincie, opdat de familiegeschiedenis in het kader van de Friese samenleving kan worden gezet.

Een belangrijk historisch verschil met vele andere Nederlandse gewesten ligt in het feit, dat Friesland het middeleeuwse leenstelsel vrijwel niet heeft gekend. Op het platteland hadden oud-tijds niet de edellieden, maar de grote boeren de macht in handen. Dit platteland was verdeeld in een aantal gebieden, grietenijen genaamd, waarover een grietman heerste. Daarboven, over alle "Duitse" landen, regeerde de koning of de keizer met de hoogste, maar verre macht.

Elke grietman werd gekozen uit en later benoemd door de eigenaars van de zogenaamde stemdragende goederen. In het jaar 1640 werd in elke Friese grietenij een register van deze stemdragende goederen opgesteld, welk register onveranderd tot aan de Franse tijd is gebruikt. Belangrijke adellijke en niet-adellijke families trachtten sedertdien door huwelijk, erfenis en aankoop die stemdragende goederen in hun bezit te krijgen om op die manier macht te kunnen uitoefenen op de keuze van het bestuur.

Sedert 1645 werd de verkiezing van predikanten op analoge wijze aan de stemdragende goederen opgedragen. In de steden bestonden regels voor het stadsbestuur, die gelijkenis hadden met de vormen op het platteland. De provincie als geheel werd bestuurd door afgevaardigden van de steden en het platteland: Westergo, Oostergo en Zevenwouden.

In het midden van de 18e eeuw was Friesland sterk verarmd, want de oorlog uit 1740 en de grote veepest in 1744 hadden de bevolking uitgemergeld. Het is daarom niet verwonderlijk, dat na de vrede van Aken in 1748 in Friesland als ook in andere gewesten volksbewegingen ontstonden die reformatie en restauratie van het gewestelijk bestuur tot doel hadden.

In 1748 kwamen in de Jacobijnenkerk te Leeuwarden ca. 300 afgevaardigden uit de steden en het platteland bijeen met de bedoeling eisen voor de reformatie en restauratie op de stellen. In 14 punten werden alle eisen samengevat, waarna ze door een deputatie aan de Staten van Friesland werden voorgelegd. Zonder enige tegenstand aanvaardden de Staten alle voorgelegde punten. Sindsdien kwam een afvaardiging van de steden en grietenijen, twee man per eenheid, in de Doelen te Leeuwarden bijeen, waardoor de beweging de naam van de Doelisten verkreeg. Friesland kende vanaf die tijd drie partijen, twee reeds lang bestaande, nl. de regenten en de aanhang van de stadhouder en voorts de nieuwe partij van de Doelisten.

De Doelisten hoopten, dat zij met behulp van de stadhouder hun eisen en wensen zouden kunnen realiseren, maar die hoop bleek ijdel. De stadhouder streefde veeleer naar het terugwinnen van zijn eigen vroegere positie en macht tegenover de regenten dan naar de vervulling van de aspiraties van de Doelisten.

De nieuwe stadhouder Willem V gebruikte zijn macht vooral bij de benoemingen van de zogenaamde premiers, die in de steden zijn belangen waarnamen tegen de regenten in. Daartegen vormde zich in de steden een oppositie van "Patriotten" bestaande uit de gegoede burgerij. De patriottische beweging ontleende haar idealen aan Engeland, terwijl getuigenissen van vaderlandsliefde haar niet vreemd waren. Ook kon men bij haar reeds de naderende Romantiek bespeuren.

Politiek beschouwd waren de Patriotten aan de nieuwe bewegingen in Frankrijk verwant, alsmede aan die van de Amerikaanse opstandelingen tegen Engeland. De patriottische burgerij wenste meer invloed en macht in het plaatselijk en gewestelijk bestuur.

De regenten, die aanvankelijk de patriotten steunden tegen de stadhouder, trokken zich terug, toen zij gewaar werden dat hun macht door de patriotten in grietenijen en steden betwist en dus bedreigd werd. Zij begonnen naar de stadhouder over te hellen.

Na de aanhouding van Wilhelmina van Pruisen, vrouw van Willem V, door de patriotten in Holland aan de sluis bij de Hollandse grens (Goejanverwellesluis) in de maand juli van 1787, kwamen patriotten uit Franeker in opstand. Coert Lambertus van Beyma, de meest bekende Friese patriot, nam de leiding en trachtte in september 1787 een tegenregering voor Friesland te vormen met Franeker als zetel. De Pruisen evenwel kwamen de stadhouder en zijn vrouw met troepen te hulp en bezetten ons land. De Friese patriotten vluchtten eerst naar Amsterdam en vervolgens naar St. Omer in Noord-Frankrijk. Na deze opstand van Franeker werden nog enige predikanten door de overheid en daarna door de kerkelijke organen afgezet, omdat zij in hun gebeden in de kerkdiensten de stadhouder niet of onvoldoende wilden betrekken. Met deze laatste opmerking raken we de positie van de kerk en haar dienaren in Friesland.

De Reformatie werd in Friesland door de Landdag in maart 1580 ingevoerd. In de eerste tijd ontbrak het grotelijks aan predikanten en om in de behoefte aan deze dienaren te kunnen voorzien werd reeds in 1585 te Franeker een hogeschool voor het gewest Friesland opgericht.

Naast deze "gereformeerden" bleven in Friesland een groot aantal doopsgezinden wonen. In de eerste tientallen jaren waren zij niet onbedreigd door plakkaten, maar in latere tijden groeide de tolerantie, die verder toenam omdat de doopsgezinden aan de overheid geld leenden in tijden van oorlog en oorlogsdreiging. De geldleningen kreeg de overheid dan in ruil voor vrijstelling van het dragen van wapenen en voor vrijheid van godsdienst.

De toenemende tolerantie bracht voorts mee, dat de Friese Doopsgezinde Broederschap kon worden opgericht die op 16 mei 1695 haar eerste vergadering te Leeuwarden belegde.

De belangrijkste theologische hoogleraar van Franeker in de 18e eeuw was Hermanus Venema (Wildervank 1697-Leeuwarden 1787), die van 1724-1774 in Franeker doceerde. Hij kwam -als gereformeerd theoloog- op voor tolerantie en bewees dat onder meer bij een aanklacht tegen de doopsgezinde predikant Joh. Stinstra. Venema genoot in eigen land en daarbuiten grote vermaardheid.

Voorgaande uitwijdingen waren nodig, omdat de Friese Joha's voor een belangrijk deel een domineesfamilie waren en vanwege de omstandigheid, dat zij veel connecties met doopsgezinden hebben gehad. Verder heeft Thomas Joha, predikant, een invloedrijke rol gespeeld in de Friese politiek tussen 1785 en 1796, het laatste decennium voor de omwenteling in 1795. Op de rol van Thomas komen we later terug.

De Franse tijd, beginnend met de Bataafse Republiek, daarna het Koninkrijk Holland en ten slotte de inlijving bij het Franse Keizerrijk maakte een volledig einde aan de tijden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Afschaffing van vele instituties en een toenemend centralisme van het landsbestuur veranderde de samenleving ingrijpend. In de Franse tijd werden de grietenijen opgeheven en "mairies" gevormd, die na de Franse periode op de duur als gemeenten ingang hebben gevonden. Het Friese Hof, het hoogste Fries rechtscollege verdween, de hogeschool van Franeker sloot zijn poorten. De heersende positie van de gereformeerden verminderde, de wetgeving werd op Franse leest geschoeid, waarbij de kerkelijke stand door de burgerlijke werd vervangen.

De overgang van de Franse tijd naar het Koninkrijk der Nederlanden is in het algemeen rustig en zonder vervolgingen verlopen. Vele vooraanstaanden uit de Franse tijd hebben in latere jaren hoge en invloedrijke functies bekleed. De afzonderlijke Friese geschiedenis bestaat na 1815 bijna niet meer.

Na de uiteenzetting over de Friese geschiedenis kunnen we ons familieverhaal vervolgen.