DEEL 1: DE EUPENSE JOHA'S

1. Inleiding

Van oorsprong stamt de familie Joha uit Eupen in België. Tot goed begrip van de geschiedenis van dit geslacht is het nodig, dat voorafgaand aan de familiehistorie het een en ander wordt weergegeven over de plaats van afkomst.

Het stadje Eupen (in het frans Néau) ligt aan de bovenloop van de Vesdre of Weser, vrij dicht bij de Duitse grens. De Vesdre stroomt bij Luik in de Maas. In de middeleeuwen behoorde Eupen tot het Hertogdom Limburg, dat zich rond de riviertjes Vesdre en Geul uitstrekte met als hoofdstad de gelijknamige vesting Limburg aan de Vesdre. Eupen, ook wel Oipen of Oepen geschreven, was in die tijd een onbetekenend dorpje, dat voor het eerst in een schenkingsakte uit 1213 wordt genoemd.

Het Hertogdom Limburg werd vanaf 1288 ondergeschikt aan de hertog van Brabant en vervolgens aan al zijn rechtsopvolgers tot aan de Franse tijd toe. Die rechtsopvolgers waren na elkaar het Bourgondische Huis, het Oostenrijkse Huis (Habsburgers), het rijk van Karel V, de Spaanse Habsburgers, de Oostenrijkse Habsburgers.

Vanaf 1795 tot 1815 was het Hertogdom bij Frankrijk ingelijfd. Na de Franse tijd werd Eupen met Malmédy bij Pruisen gevoegd. Deze periode duurde tot het einde van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens deze eeuw kwamen vele Duitse ambtenaren naar Eupen. Vanaf 1919 behoort Eupen en Malmédy aan het Koninkrijk België.

In de loop van de geschiedenis heeft Eupen en omstreken veel te lijden gehad van doortrekkende en plunderende troepen. Dat is het lot van alle grensgebieden.

De Staten Generaal hebben het Hertogdom Limburg twee maal gedurende een korte periode in handen gehad. Vooreerst van 1632 tot 1633 tijdens de Tachtigjarige Oorlog na de beroemde veldtocht van Frederik Hendrik langs de Maas. De tweede bezetting vond plaats tijdens de Spaanse Successieoorlog in het begin van de 18e eeuw, toen het Hertogdom door Engelse en staatse troepen werd veroverd. Na deze oorlog kwamen de Zuidelijke Nederlanden aan de Oostenrijkse Habsburgers.

Aan het einde van de middeleeuwen begon Europa meer aanzien te verkrijgen. De Vesdre en haar zijbeken bleken zeer zuiver water te bevatten, dat bijzonder geschikt was voor het wassen van ruwe wol en van het daaruit te vervaardigen laken, als ook voor het verven van het laken. In de Spaanse tijd kon men in Eupen tolvrij Spaanse wol importeren, maar dit voordeel eindigde toen de Oostenrijkers aan het bewind kwamen.

Eupen is na 1600 tot een rijke lakenstad uitgegroeid en heeft een opmerkelijke bloei beleefd met een toppunt tussen 1680 en 1740. De neergang zette in de Franse tijd in, maar de nekslag kreeg het handwerk in de 19e eeuw toen de industriële lakenvervaardiging haar intrede deed.

In Eupen begon de verwerking van wol langs de beekjes van de bovenstad en pas veel later langs de Vesdre in de benedenstad. Eupen nam in belangrijkheid in die mate toe, dat de stad meer zelfstandigheid verkreeg. Stadsrechten heeft Eupen evenwel nooit gehad. Wel mocht men vanaf 1645 zelf belastingen heffen en hiervoor was een kadaster nodig. Een deel van dit kadaster is bewaard gebleven en hieruit zijn enige bijzonderheden geput met betrekking tot de plaats waar de Joha's hebben gewoond.

In de 17e en vooral in de 18e eeuw zijn in Europa vele patriciërshuizen verrezen die thans nog getuigenis afleggen van de grote rijkdom van de stad.

De voorouders van ds. Antonius Joha waren in het begin van de Reformatie protestants en het is daarom van nut iets verder in te gaan op de komst en de positie van het protestantisme in Eupen.

Al vroeg in de 16e eeuw bereikte het protestantisme het Hertogdom Limburg en ook Eupen, mogelijk via de grote handelsstad Antwerpen dan wel vanuit het naburige Hertogdom Gulik of Jülich, dat het protestantisme goed gezind was. In 1567 heeft de beeldenstorm in Eupen gewoed en vele protestanten moesten nadien de vlucht nemen ten gevolge van de maatregelen die Alva nam als antwoord op de ongeregeldheden.

De dichtbij liggende Rijksstad Aken was eveneens een tijd lang protestantsgezind. Dat duurde tot de omslag in 1598 en vanaf dat jaar moesten heel wat protestanten de stad verlaten hetgeen tot een forse achteruitgang van Aken heeft geleid.

Sedert 1623 bestond er in Aken een geheime gereformeerde, Calvinistische organisatie en vanaf 1629 kwam een kerkeraad geregeld bijeen. Sinds die tijd beschikte de gemeente over een eigen predikant. In de vergadering van de kerkeraad van Aken op 7 maart 1629 werd besloten dat ouders geen gegevens (plaats en aanwezige personen) zouden mogen noemen betreffende de doop aan daartoe aangestelde opsporingsambtenaren (Sentgericht). Vandaar dat van de dertiger jaren veel doopgegevens onvindbaar zijn.

Pas tegen het eind van de 80- en 30-jarige oorlog durfde de "reformirten" in Eupen met eigen doop- en trouwboeken te beginnen. Tot het gebruik van deze boeken heeft ds. Georg Ulrich Wenning (predikant van 1645 tot 1693) veel bijgedragen. Hij heeft ook een belangrijke rol gespeeld in zake de positie van Vaels. Mede door zijn toedoen bleef Vaels staats, zodat een ongestoorde uitoefening van de gereformeerde godsdienst gewaarborgd was, althans wanneer Vaels niet door vijanden bezet was.

Protestantse families uit Eupen onderhielden nauwe banden met protestanten woonachtig in Aken, Burtscheid en Stolberg. Deze banden waren niet alleen van familiaire aard, maar hadden ook economische betekenis, omdat vele protestanten in deze steden een vooraanstaande positie in de fabricage en handel van laken innamen. Voor de vervulling van openbare ambten kwamen de protestanten in Eupen uiteraard niet in aanmerking.

Meestal trouwden protestanten onder elkaar, hoewel nu en dan ook gemengde huwelijken voorkwamen, zodat de kleine protestantse gemeenschap te Eupen soms leden verloor, maar ook wel bijkreeg.